|
Ferkeltaxen - Het einde tegemoet

In de jaren
vijftig en zestig stelde de DR een grote serie
railbussen in dienst. De als Ferkeltaxe bekend
geworden treintjes bepaalden op veel Nebenbahnen
in de DDR het dagelijkse beeld. Na de Wende
werden ze zelfs nog ingrijpend gemoderniseerd. Door
sluiting of privatisering van tal van zijlijnen en de
instroom van nieuw materieel komt hun einde echter snel
in zicht. Tijd dus voor een korte blik in verleden,
heden en nabije toekomst van de Ferkeltaxen.
|
Gebruikte
afkortingen: |
|
|
Bh -
|
Betriebshof
(depot) nieuwe benaming bij DBAG |
|
Bw -
|
Bahnbetriebswerk (depot) |
|
DB - |
Deutsche
Bundesbahn |
|
DBAG - |
Deutsche Bahn
AG |
|
DDR - |
Deutsche
Demokratische Republik |
|
DR - |
Deutsche
Reichsbahn |
|
LVT - |
Leicht
Verbrennungstriebwagen |
|
RAW - |
Reichsbahn
Ausbesserungs Werk (hoofdwerkplaats) |
|
UBB - |
Userdomer
Bäderbahn (Dochteronderneming van de DBAG) |
|
TZA - |
Technische
Zentralamt |
|
VEB - |
Volks Eigenes
Betrieb |
|
VES-M - |
Versuchs und
Entwicklungs Stelle - Maschinenwirtschaft (vgl
NSTO) |
De dienstuitvoering op de
lokaallijnen aan het begin van de jaren vijftig baarde
de DR grote zorgen. Een van de eerste activiteiten van
de in 1949 opgerichte DR was het inlijven van de nog
aanwezige particuliere spoorwegmaatschappijen in het
door de Russen gecontroleerde gebied. Ze kreeg daardoor
de beschikking over zo’n tweehonderd motorrijtuigen en
treinstellen, die, als ze al rijvaardig waren, in veel
gevallen in een slechte staat verkeerden. Het gebrek aan
onderdelen maakte de situatie er niet rooskleuriger op.
Om toch de treindienst op
de zijlijnen te kunnen uitvoeren greep de DR
noodgedwongen terug op de stoomtractie. Veelal werden
locomotieven van de overgebleven Länderbauarten,
verzameld in de serie 98, ingezet. Het rijvaardig houden
van dit gevarieerde park vergde dermate veel
werkplaatscapaciteit dat dit ten koste ging van het
onderhoud aan de smalspoorlocomotieven. De gevolgen
konden natuurlijk niet uitblijven en in het najaar van
1953 werd de dienstuitvoering op de smalspoorlijnen
acuut bedreigd. Duidelijk was dat er daden gesteld
moesten worden. Erwin Kramer, de toenmalige minister van
verkeer, gaf opdracht motorrijtuigen te reactiveren om
hierdoor de stoomtractie te kunnen ontlasten. Daarnaast
viel het besluit tot ontwikkeling van een nieuw type LVT.

Twee protoypen
Dit zou een
gemeenschappelijk project van TZA, het Versuchsanstalt
für Motorfahrzeuge (later VES-M) en VEB Waggonbau
Bautzen worden. Het was geen gemakkelijke opgave. Met
name de keuze van de motor bezorgde de technici nogal
wat hoofdbrekens, omdat geen enkele fabrikant in de DDR
een geschikt type kon aanbieden. Uiteindelijk viel de
keuze op een door de West-Duitse fabrikant van
vrachtauto’s, Büssing, te leveren exemplaar.
In 1957 verliet het eerste
prototype de fabriek, bestaande uit motorwagen
VT2.09.001 en bijwagen VB2.07.501. Het span had een
maximum snelheid van 90 km/h en beschikte over een
Scharfenberg-koppeling. Om bij het aankoppelen schade
aan de rijtuigfronten te vermijden waren rubberen
buffers gemonteerd.

Zoals het een prototype
betaamt werd het aan talloze proeven onderworpen,
waarbij Bw Haldensleben de uitvalsbasis was. Ondanks de
overwegend positieve resultaten traden er toch enkele
tekortkomingen aan het licht. Met zijn vermogen van 111
kW was de motor niet helemaal op zijn taak berekend,
vooral als de bijwagen was aangekoppeld. Ook de
pneumatische deursluiting voldeed niet aan de
verwachtingen: In de winter van 1957/58 vroren de deuren
regelmatig dicht.
Een tweede prototype
(VT2.09.002/VB2.07.502) zag nog in hetzelfde jaar het
levenslicht. Deze week op een aantal punten van zijn
voorganger af. Om gewicht te besparen werd bij de
constructie een combinatie van zowel staal als
lichtmetaal toegepast. Voor het eerste prototype was
alleen staal gebruikt. Tevens was, zoals verwacht, een
andere krachtbron toegepast. VEB Motorenwerk
Johannisthal was inmiddels in staat een motor te leveren
met een vermogen van 132 kW. In de praktijk bleek deze
echter verre van probleemloos.

Hoe komen de treintjes
toch aan de toch wel merkwaardige bijnaam Ferkeltaxe
(Varkenstaxi)? Daarover bestaan twee lezingen. De meest
voor de hand liggende stamt uit vroeger tijden, toen op
het platteland bijna alles met de trein meegenomen werd,
tot aan varkens toe. De andere verklaring is wat verder
gezocht. De nieuwe railbussen vervingen onder andere de
vooroorlogse Schweineschnäuzchen (varkenssnuitjes),
en daarom vond men dat de bijnaam voor de nieuwelingen
ook aan varkens gerelateerd moest zijn. Ferkeltaxe
dus.
Overigens is Ferkeltaxe
niet de enige bijnaam: De officiële luidt
Sandmännchen, vanwege de vermeende rustige loop,
maar ook Blutblase, Eiterbeule en
Pfeffi worden veelvuldig gehoord.
Na uitvoerige evaluatie
van de met de twee prototypen opgedane ervaringen was in
1962 de tijd rijp voor de bouw een eerste kleine serie,
bestaande uit vijf motorwagens en een gelijk aantal
bijwagens. De op het tweede prototype toegepaste
bouwwijze was weer verlaten, omdat de combinatie van
staal en lichtmetaal teveel problemen van technologische
aard met zich meebracht. Voor de motorisering tekende
deze keer VEB Elbewerk Roßlau. De motorwagens kregen een
aangepaste versie van de motor waarmee ook de nieuwe
rangeerlocomotieven serie V15 waren uitgerust: de 6 KVD
18. Deze werd zodanig aangepast dat de motor gekanteld
onder de vloer kon worden ingebouwd en kreeg de
typeaanduiding 6 KVD 18 SRW.
De vijf waren aansluitend
aan de twee prototypen genummerd:
VT2.09.003-007/VB2.07.503-507.
In de praktijk bleek de
combinatie motorrijtuig/bijwagen niet zo’n gelukkige
keus. Op de eindpunten moest altijd worden omgelopen,
hetgeen extra tijd kostte. Daarom was het verwonderlijk
dat de eerste grote vervolgserie ook gebouwd werd als
combinatie van motorrijtuig en bijwagen. De 63
exemplaren werden in 1963 en 1964 afgeleverd.
Opmerkelijk was dat vanaf de VT2.09.034 de gebogen
frontruiten (Panoramascheiben) vervangen waren
door rechte ruiten.
De tweede vervolgserie was
wel geschikt voor het rijden in treinschakeling en de
bijwagens maakten plaats voor stuurstandrijtuigen. De DR
stelde in 1964 en 1965 zestien setjes in dienst en
bracht ze onder in de series VT2.09.1/VS2.07.1.
Tussen 1968 en 1970 werd
de laatste serie Ferkeltaxen gebouwd. Dit maal
was VEB Waggonbau Görlitz verantwoordelijk voor de
productie. Grote delen van het chassis moesten echter
opnieuw ontworpen worden om er een ander type motor (6
VD 18/15-1 HRW) in te plaatsen, omdat VEB Elbewerk
Roßlau de levering van de 6 KVD 18 SRW in 1967 had
gestaakt. Na aflevering van de 73 motor- en
stuurstandrijtuigen (VT2.09.2/VS2.08.2) beschikte de DR
uiteindelijk over 159 motorrijtuigen, 89
stuurstandrijtuigen en 70 bijwagens.
 
|
Serie |
In dienst vanaf |
Motorvermogen |
Gewicht |
Asindeling |
Max.snelheid |
|
VT2.09.0 |
1957/62 |
132 kW
|
19.3 ton |
1A |
90 km/h |
|
VT2.09.1 |
1964 |
132 kW |
19.4 ton |
1A |
90 km/h |
|
VT2.09.2 |
1968 |
132 kW |
22.1 ton |
1A |
90 km/h |
Onderhoud
De Ferkeltaxe bleek
in de praktijk een vrij probleemloos voertuig. RAW Halle
voerde het groot onderhoud uit, wat af en toe een verre
van eenvoudige klus was. Zo kwam het nogal eens voor dat
op last van "hogerhand" de fabricage van
reserveonderdelen abrupt werd beëindigd. Soms nam het
RAW dan maar zelf de productie ter hand. Dit gebeurde
onder andere met de front- en zijruiten. Om het zichzelf
niet moeilijker te maken verving het RAW vanaf dat
moment bij gelegenheid de Panoramascheiben door
rechte ruiten.
Een andere keer dat men
een beroep op het improvisatievermogen van het RAW moest
doen kwam op het moment dat VEB Elbewerk Roßlau de
levering van reserveonderdelen voor de motor type 6 KVD
18 SRW staakte. Het inbouwen van nieuwe motoren het type
6 VD 18/15-1 HRW inbouwen was geen optie; dit zou een
bijna complete nieuwbouw van het onderstel vergen. De
oplossing lag bij de industrielocomotieven serie V15,
die nog uitgerust waren met een motor type 6 KVD 18.
Door de geringe kilometerprestaties van de locjes
bevonden de motoren zich nog in een prima staat en
konden na enkele aanpassingen voor de motorrijtuigen
worden gebruikt. Voor de V15-en werden nieuwe motoren
aangeschaft. Economisch bezien was dit natuurlijk geen
fraaie oplossing, maar de Ferkels konden weer een
tijdje vooruit, en daar was het uiteindelijk toch om te
doen.
Verder waren het herstel
van doorgeroeste spanten in de zijwanden en het
vervangen van rottende houten vloerdelen grote klussen
voor het RAW.
 
|
Serieaanduidingen door de jaren heen: |
Oorspronkelijk
Na 1970 Na
1991 Opmerking: |
(computer-
(schema
nummering
DBAG)
DR) |
|
|
VT2.09.0 |
171.0 |
771.0 |
Motorwagen |
|
VB2.07.5 |
171.8 |
971
|
Bijwagen |
|
VT2.09.1 |
172.0 |
772.0 |
Motorwagen |
|
VS2.07.1 |
172.6 |
972.6 |
Stuurstandrijtuig |
|
VT2.09.2 |
172.1 |
772.1 |
Motorwagen |
|
VS2.08.2 |
172.7 |
972.7 |
Stuurstandrijtuig |


Modernisering
En zo hobbelden de
Ferkeltaxen letterlijk en figuurlijk door de jaren
heen en werden af en toe met veel kunst- en vliegwerk
aan de praat gehouden. En als de DDR (en de DR) er nog
zouden zijn, was dat ongetwijfeld nu nog zo geweest. In
november 1989 bleek de Wende onafwendbaar en
vanaf dat moment waren de DDR-burgers in staat dat te
doen waar ze al jaren van hadden gedroomd: De aanschaf
van een echte "west-auto". En mede daardoor werden de
treinen al gauw leger en leger, zeker op het platteland.
Daardoor dreigde voor veel
Nebenbahnen, vaak duur in exploitatie door de
inzet van getrokken materieel, acute sluiting. Slechts
de inzet van goedkope treinstellen zou nog een
alternatief zijn. Daarom besloten de DB, die in de
neue Bundesländer inmiddels een stevige vinger in de
pap begon te krijgen, en DR tot modernisering van een
groot aantal Ferkeltaxen. De goede staat van de
onderstellen vormde daarvoor een prima basis. In dit
zogenaamde Rekoprogramm waren uitsluitend motor-
en stuurstandrijtuigen opgenomen, hoewel later nog zes
bijwagens tot motorrijtuig werden verbouwd.

Wat hield het
Rekoprogramm globaal in? Allereerst de noodzakelijke
vernieuwing van motor en aandrijving. MAN leverde voor
de 771 (die voortaan zonder bijwagen de baan op zou gaan)
motoren met een vermogen van 132 kW. De 772 kregen
motoren van 162 kW. Ook de nieuwe aandrijving kende twee
varianten: Een mechanische met elektronische
schakelondersteuning (ESG), of een hydraulische
aandrijving, fabrikaat Voith. Om het een en ander te
kunnen verwezenlijken moest men bij een aantal
motorwagens grote delen van het onderstel reconstrueren.
Nieuwe bekleding voor de
stoelen, andere verlichting en een afgesloten
machinistencabine kenmerkten de wijzigingen in het
interieur. Tevens kregen de Ferkeltaxen
koersrollen achter de cabineruiten. Als finishing touch
werd de oorspronkelijke fraaie bordeauxrode kleur
vervangen door de toenmalige kille
Regionalbahn-Farben van de DB, grijs met groen.
Samengevat zag het
Rekoprogramm, dat door het RAW Halle werd uitgevoerd,
er als volgt uit:
|
Serieaanduiding na
modernisering |
Serieaanduiding
voor modernisering |
Aantal |
Aandrijving |
Opmerking |
|
771.0 |
771.0 |
49 |
ESG |
|
|
772.0 |
772.0 |
6 |
ESG |
|
|
772.1 |
772.1 |
55 |
Voith |
Gereconstrueerd
onderstel |
|
772.1 |
971.0 |
6 |
Voith |
Ombouw uit
bijwagens, gereconstrueerd onderstel (772
174-179) |
|
772.3 |
771.0 |
11 |
Voith |
Gereconstrueerd
onderstel |
|
772.4 |
772.0 |
6 |
Voith |
Gereconstrueerd
onderstel |
Een aangename
bijkomstigheid was dat de railbussen toch al toe waren
aan een grote revisie, waardoor geen extra materieel aan
de dienst behoefde te worden onttrokken. De eerste
gemoderniseerde Ferkeltaxen werd oktober 1991
weer in dienst gesteld. Twee motorrijtuigen werden
daarnaast omgebouwd op aardgas (772 201 en 772 202).
Ondanks dat dit een geslaagd experiment was, heeft het
geen navolging gekregen.
Motorrijtuig 772 157 kreeg
een nieuwe motor en aandrijving zonder verder
gemoderniseerd te worden en was daarmee tot zijn afvoer
in 1998 een vreemde eend in de bijt.
 
Na de modernisering
Na afloop van het
Rekoprogramm voerden de gemoderniseerde en niet
gemoderniseerde Ferkeltaxen broederlijk de
diensten uit op de zwakke zijlijnen met weinig
passagiers. De laatste rode railbussen gingen in het
najaar van 2000 na afloop van de revisietermijn buiten
dienst. Niet onvermeld mag de verkoop van drie
exemplaren naar Nigeria blijven, onbekend is of deze nog
rijden.
Voor de gemoderniseerde
exemplaren begint de toekomst er langzamerhand ook
somber uit te zien. Door de voortdurende sluiting en
privatisering van Nebenbahnen wordt het
werkterrein steeds meer ingekrompen. Tel daarbij op de
aanhoudende instroom van nieuw materieel en de vanaf dit
jaar aflopende revisietermijnen en het mag duidelijk
zijn dat donkere wolken zich boven de sympathieke
treintjes samenpakken.
Maar voorlopig bestaat de
mogelijkheid nog een rit met de Ferkeltaxen in de
normale dienst te ervaren. Er zijn enkele grote
concentraties van lijnen in het westen van de voormalige
DDR waar de onvervalste Nebenbahnsfeer geproefd
kan worden:
|
Bh |
Lijn |
Tabelnummer in het
Duitse Kursbuch |
|
Halberstadt |
Stassfurt-Egeln |
317 |
|
|
Heudeber=Danstedt-Osterwieck
West |
327 |
|
|
Quedlinburg-Aschersleben |
332
|
|
|
Calbe-Könnern |
341 |
|
Nordhausen |
Sondershausen-Atern |
593 |
|
|
Bleicherode
Ost-Großbodungen |
598 |
|
|
Leinefelde-Teistungen |
599 |
|
Stendal |
Magdeburg-Loburg |
259 |
|
|
Oebisfelde-Salzwedel |
301 |
|
|
Salzwedel-Wittenberge |
303 |
|
|
Hohenwulsch-Kalbe |
307 |
|
|
Eilsleben-Blumenberg |
316 |
Verder kan nog geFerkelt
worden bij Dresden en Görlitz, rondom Leipzig (onder
andere op de lijnen Altenburg-Zeitz, Borna-Geithain,
Bitterfeld-Stumsdorf) en in de omgeving van Erfurt
tussen Gotha en Crawinkel en Fröttstedt en Friedrichroda.
Op het eiland Usedom
tenslotte, waar de UBB de treindiensten uitvoert, zijn
de Ferkeltaxen nog onmisbaar, ondanks de instroom
van nieuw materieel. Hier rijden ook de twee op aardgas
omgebouwde motorwagens. Zij worden in de regel ingezet
tussen Peenemünde en Zinnowitz.
En wat rest ons als de
laatste Ferkeltaxe uitgeboemeld is? De DBAG heeft
aangegeven weinig te voelen voor verkoop aan
particuliere spoorwegmaatschappijen, zodat er hooguit
bij museumorganisaties nog een enkel exemplaar bewaard
blijft. De 771 003, de enige motorwagen met
Panoramascheiben, is daarvan al zeker en wordt
bedrijfsvaardig onderhouden door een organisatie in
Gramzow.
Raymond kiès
 |